Door: Hendrina de Graaf
19 november 2025 – In 1859 waren er in Nederland ruim 40.000 doopsgezinden. Nu zijn het er nog geen achtduizend. Met het verdwijnen van leden en besturen verdwijnt ook het fundament onder tientallen kerkgebouwen. Hoe stel je het erfgoed op tijd veilig?
In de grote zaal van de Doopsgezinde kerk in Apeldoorn staan de stoelen niet meer in de traditionele opstelling. Vier tafeltjes met elk zes stoelen roepen de sfeer op van een verjaardag. “Tijdens de zondagse vieringen zitten hier nog een man of twaalf,’’ vertelt Albert Diekema (79), die sinds de jaren tachtig bij de Doopsgezinden kerkt. Veertig jaar geleden was dat anders: toen trok het gebouw tientallen kerkgangers van verschillende leeftijden. Nu ligt de gemiddelde leeftijd rond de 75 jaar. “We hebben nog twee bestuursleden – beiden boven de tachtig – en het wordt hen te veel,’’ zegt Mieke Hennus (75). “Een gebouw vraagt veel organisatie: verwarming, schoonmaak, tuinverzorging, verhuur.” De krimp is vooral ontstaan doordat jongeren de kerk verlieten en nieuwe aanwas uitbleef.
Na jaren zoeken naar een oplossing voor het dalende bezoekersaantal besloot de kerkelijke gemeente het kerkgebouw te sluiten. Toch betekent dit niet het einde van de gemeenschap. “We oriënteren ons nu op een plek in een ander kerkgebouw in Apeldoorn,” zegt Hennus. Het gebouw is inmiddels verkocht: op 1 juli worden alle activiteiten beëindigd.
In de negentiende eeuw vormden de doopsgezinden een kleine maar zichtbare religieuze groep. In Friesland was hun aanwezigheid relatief sterk, blijkt uit cijfers van het CBS. Uit het boek ‘De Groninger versie van de doperse doorbraak’ van Bert Dop blijkt dat in 1859 in heel Nederland ruim 40.000 doopsgezinden zijn, die ruim 1 procent van de bevolking uitmaken.
Op dit moment is dat aantal fors gedaald: er zijn nu nog 7.739 doopsgezinden, waarvan 688 “vrienden” en 526 “belangstellenden”. Een groot aandeel is op leeftijd. Zoals in de samengevoegde Doopsgezinde gemeente van Borne-Almelo, vertelt bestuurslid Bouke Wouda (80). Van de ruim honderd mensen die op de ledenlijst staan, is de helft actief – maar vrijwel allemaal op hoge leeftijd. “Er zijn wel wat zestigers bij gekomen,” zegt Wouda, “maar dat is niet genoeg om het natuurlijke verloop bij te houden.”
Met het verdwijnen van kerkelijke gemeenschappen doemt een nieuwe vraag op: wat gebeurt er met de gebouwen, de archieven, het erfgoed? In Borne werd jaren geleden besloten het kerkgebouw en de pastorie onder te brengen in een zelfstandige stichting, toen duidelijk werd dat de kleine gemeente geen toekomst had. De stichting werkt samen met lokale culturele partners, ontvangt jaarlijks rijkssubsidies én huur van de naastgelegen pastorie. Er is een tuin ingericht met informatiepanelen over het doopsgezinde verleden en de rol van predikant Leignes Bakhoven, die in de Tweede Wereldoorlog onderdak bood aan Joodse onderduikers. Zo blijft het gebouw behouden voor het dorp, ook nu de gemeente is opgegaan in een groter verband.



Voor Bouke Wouda is het een vorm van nalatenschap: “Het is een cadeau aan de Bornse samenleving. Zodat ook als er straks geen Doopsgezinden meer zijn, hun verhaal tastbaar blijft.”
Ook in Almelo, waar het kerkgebouw uit 1684 aan de Grotestraat staat, wordt gezocht naar een vergelijkbare constructie. De gemeente beschikt over een monumentaal pand op een A-locatie en er is een apart diaconiefonds dat goede doelen ondersteunt. Maar het opzetten van een zelfstandige stichting met voldoende bestuurskracht en structurele inkomsten blijkt lastiger. De kerk wordt wel regelmatig verhuurd – onder meer voor concerten en rituele dans – en er is een vriendenstichting die de verhuur organiseert, maar de angst leeft dat het gebouw zonder goede oplossing verwordt tot ‘tapijthal’. De gemeente hoopt op korte termijn voldoende mensen en vertrouwen te vinden om ook hier het erfgoed veilig te stellen, vertelt Wouda.
De situatie in Almelo staat niet op zichzelf. In tientallen steden en dorpen worstelen kleine geloofsgemeenschappen met precies dezelfde vragen: hoe behoud je een kerkgebouw als de gemeenschap verdwijnt? Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zien ze deze zorgen terug in veel andere geloofsgemeenschappen Judith Toebast, programmaleider Toekomst Religieus Erfgoed: “Het aantal actieve leden daalt, en daardoor komen ook de financiën onder druk te staan. Dat betekent dat er een nieuwe invulling gevonden moet worden voor het kerkgebouw.”
Elk jaar verliezen tientallen kerkgebouwen hun religieuze functie. Vooral rooms-katholieke kerken worden vaak via commerciële makelaars verkocht, waarbij een maatschappelijke of culturele bestemming niet altijd de voorkeur krijgt. “Voor dorpen zijn kerken vaak beeldbepalende plekken,” zegt Toebast. “Veel inwoners hopen dat zo’n gebouw een gemeenschapsfunctie krijgt – bijvoorbeeld als dorpshuis, bibliotheek, theater of museum. Maar bisdommen kiezen soms voor de hoogste bieder: een makelaar die appartementen in het gebouw maakt.”
Toch zijn er ook andere voorbeelden, benadrukt ze, zoals de Stichting Oude Groninger Kerken. “Zij nemen kerken over en geven ze een duurzame herbestemming, vaak maatschappelijk of cultureel. Inmiddels hebben ze een schat aan ervaring opgebouwd en functioneren ze als kenniscentrum voor religieus erfgoed in Groningen.”
Wanneer een doopsgezinde gemeente overweegt om haar erfgoed over te dragen, ligt de eerste stap bij de lokale overheid. “Maar ook wij denken graag mee,” zegt Toebast. “We staan open voor een gesprek op landelijk niveau over hoe je het doopsgezinde erfgoed op een toekomstbestendige manier kunt bewaren.”
Tegelijk ziet de Rijksdienst dat sommige migrantenkerken juist groeien en behoefte hebben aan een eigen ruimte. “Het mooiste is als een kerkgebouw in religieus gebruik blijft – al is dat misschien in een andere vorm dan voorheen.”
In Groningen staat de Doopsgezinde kerk juist niet op de tocht. Predikant Nick Everts ziet hoe veel gemeenten vasthouden aan gebouwen en structuren, terwijl de gemeenschap vergrijst en nieuwe aanwas uitblijft.

Wat volgens Everts ontbreekt, is lef om echt te veranderen. Vasthouden aan de zondagochtenddienst is voor hem geen heilige plicht. “Er is veel behoefte aan zingeving, maar niet altijd op de manier hoe dat vroeger ging.” Veel doopsgezinde gemeenten houden volgens hem juist krampachtig vast aan wat er nog is: gebouwen, orgels, structuren – “ook al trek je daarmee geen jongeren.” Ondertussen is er wél geld, wél vastgoed. “Maar het meeste geld wordt gestoken in behoud van het oude. Niet in iets nieuws. Als voorbeeld: Er is veel geld binnen de broederschap, maar veel van mijn collega’s moeten het doen met kleine aanstellingen. Daar zou meer in geïnvesteerd mogen worden.
Vernieuwende predikanten lopen vast in een web van vergaderstructuren, besturen en fondsen, vaak oververtegenwoordigd door mensen van 70 jaar en ouder, vindt hij. “Er zit soms te veel macht bij te weinig mensen, omdat dezelfde mensen vaak in meerdere besturen zitten. Dat zijn niet altijd de juiste bestuursleden op de juiste plek, waardoor het moeilijk is om financiële steun voor vernieuwende ideeën te krijgen.”
In plaats van alles inzetten op behoud van het bestaande, probeert hij nieuwe vormen van kerk-zijn uit: bijbel, pizza en bieravonden, of een daklozenmaaltijd die uitgroeit tot een gemeenschap op zich. Zijn gemeente blijft stabiel en lijkt zelfs voorzichtig te groeien. In Groningen zijn er inmiddels zo’n 160 mensen betrokken, waarvan een deel via nieuwe initiatieven. “Geen massale groei, maar elk nieuw gezicht telt.” Hij pleit voor het loslaten van ‘sterfhuisconstructies’, en het durven pionieren naast het bestaande. “Zolang we vooral bezig blijven met het overeind houden van het oude, gaan we niets nieuws opbouwen.”